en er was eens een bever die bewonderde haar zo.'Okidokido wat ben jij een grote vlo
Je bent zo mooi,
o wil toch luisteren naar de taal van mijn hobo.'
Beverokido werd een echtpaar met hobo
en met negen beverkinderen
en helaas, maar met één vlo.
en er was eens een bever die bewonderde haar zo.
"Maar nu het allerbelangrijkste,' zei hij en haalde een krantenknipsel uit zijn binnenzak. Behoedzaam streek hij het glad op het tafelblad.
'Mijn uitgever, meneer Van Groningen, loopt op me af met twee slecht getapte biertjes in zijn hand. 'James, doe iets met deze pijn. Schrijf het van je af, maak literatuur van Polly. Vertel! Hoe zien je dagen eruit?'
'Poezen en rode vrouwen drukken op dezelfde knopjes van je ziel. Beiden zijn het roofdieren met intrekbare nagels, knuffels die kunnen blazen, troosteressen zonder genade, verleidsters met ingebouwde straf, koninginnen van de nacht, verpakt in het betoverendste vel dat op het moment van fabricage verkrijgbaar was. Hun kracht schuilt in hun dubbelzinnigheid. Die dubbelzinnigheid brengt je aan het twijfelen. Maar nooit aan hen. Altijd aan jou.' (p. 31)
'Op straat was het ongeveer net zo druk als twee weken geleden. De vrouw die hem had overvallen, had vast iets beters te doen dan in het donker staan wachten voor het onwaarschijnlijke geval dat hij zou terugkomen. En waarvoor? Stel dat ze spijt had van wat ze had gedaan en hem zijn kostbaarheden wilde retourneren? Of dat de beroving alleen een voorproefje was van wat ze werkelijk voor hem in petto had. Een mes in zijn hart misschien. Een pistool op zijn slaap. Een zaag op zijn keel.' (p. 109)Een boek kan nog zo geweldig, geprezen en gelauwerd zijn, soms past het gewoon niet bij me. Calvinist als ik ben, worstel ik door totdat ik besef dat het punt van absolute afkeer en tegenzin is bereikt. In het geval van De Finklerkwestie van Howard Jacobson was dat op pagina 129, op eenderde van het boek. Klaar.
De Finklerkwestie won in 2010 de Man Booker Prize en dat maakte me nieuwsgierig. Ik hou graag – enigszins - bij wat wereldwijde literaire trendsetters zijn om enkele jaren later te bekijken in hoeverre dat zijn weerslag heeft op de Nederlandse literatuur. Winnaars van de Booker Prize staan garant voor veel lezers en grote aandacht. Bovendien trok de achterflap mijn interesse: een roman over vriendschap tussen drie mannen die als ‘scherp, weemoedig maar ook ongelooflijk geestig’ wordt omschreven door de critici.
De roman gaat inderdaad over drie vrienden in Londen. Twee zijn van joodse komaf en de derde, Treslove, is geobsedeerd door dat gegeven. Daarin gaat hij zo ver dat hij zich laat leiden door waanideeën en afraakt van de realiteit. Wat me tegenstaat is de traagheid, de gelatenheid en de manier waarop Treslove zichzelf zonder verzet in het moeras van depressiviteit laat zakken. ‘Kom op vent, maak er wat van. Je kunt alles hebben wat je wil hebben,’ hoor ik mezelf tegen Treslove zeggen. En als ik merk dat hij na 129 bladzijdes nog niet luistert, hou ik op met helpen. ’t Is trekken aan een dood paard.
Hup. Op naar de boekenkast voor een nieuwe papieren vriend die mijn inlevingsvermogen wél kan waarderen.
Naschrift:
Tijdens Perron 500 constateerden we dat de subtiele Engelse humor in de Nederlandse vertaling goeddeels verloren is gegaan. Voor degene die de originele versie lazen, maakte de humor het boek dragelijk en sterk, terwijl ik het in de vertaling humorloos en gortdroog vond.
De essentie van het boek - de joodse kwestie - is me geheel ontgaan, of anders gezegd, zo ver ben ik niet gekomen. Ook de aanwijzing op de kaftfoto (een Palestijnse sjaal naast de jas en joodse hoed) is in de Nederlandse uitgave vervallen. Volgens mijn Perrongenoten is De Finklerkwestie in de originele Engelse uitgave zeer de moeite waard om tot het einde uit te lezen.
'Ik moest een missiekruis gaan kopen bij Van Wees op het Kasteelplein. Voor in de kelder om ons bij te staan als het zover was, een zilverachtig bronzen kruis. Een klein uur heen en een klein uur terug. Het was zaterdag, 3 november. Rond het middaguur was ik op het Oranjeplein, waar het oude Ginniken begint. Bij de houthandel Van Dijk hoorde ik een enorme klap. Ik dacht dat er een grote stapel rechtopstaande planken was omgevallen. Maar er was niets te zien. De eerste inslag van een granaat. Een man fietste voorbij en zag me staan. 'Naar huis, jochie,' riep hij, 'ze zijn bij Bavel.' Ik zette het op een lopen. Ademloos kwam ik thuis en riep: 'Ze zijn al bij Bavel!' 'Naar de kelder,' zei mijn vader. (p. 81-82)
'Boven het tafeltje naast de koffieautomaat hangt een kalender van de gemeente. Elke maand heeft een foto van een kunstwerk in de stad. Ik heb de kalender eens doorgebladerd en vond geen enkele maand mooi. Wel kon ik van negen van de twaalf kunstprojecten de exacte locatie noemen.' (p.10)
"Je moet enkel maar alles volbrengen wat je je hebt voorgenomen. Je hoeft alleen maar je goede voornemens uit te voeren. Dat is alles. Een nieuw leven beginnen. Een schone lei. Een schone bladzij. (Uit: Impressies van een simpele ziel, 1953)." p. 205