woensdag 28 september 2011

Okidokido

Okidokido was een hele grote vlo
en er was eens een bever die bewonderde haar zo.
'Okidokido wat ben jij een grote vlo
Je bent zo mooi,
o wil toch luisteren naar de taal van mijn hobo.'
Beverokido werd een echtpaar met hobo
en met negen beverkinderen
en helaas, maar met één vlo.

Vroeger bij de AMV-les hadden we een muziekjuf die operazangeres was. Ze droeg grote, gebloemde jurken met soepvlekken. "Ja", zei ze, "als je operazangeres bent, dan draag je jurken met soepvlekken. Zo hoort dat." Ze kon prachtig zingen. 

Bij een van de muzieklessen kregen we de opdracht een gedicht te maken over het instrument dat we bespeelden. Ik schudde Okidokido uit mijn mouw. Nog steeds is het mijn lievelingsgedicht maar inmiddels geloof ik er niks meer van dat ik het ooit als negenjarige zelf geschreven heb.

vrijdag 23 september 2011

Asterix. De intrigant. R. Goscinny & A. Uderzo

"'Ik heb een lijst van je gekregen met alle namen van die idioten... nu heb ik dat nog nodig.'
'Dat?? Maar die vaas is een deel van de buit van een van mijn veldtochten!'
'Oh ja? .. Ik hoorde trouwens van je mannen dat ze vinden dat jij er 'n beetje vreemde mening op nahoudt wat betreft het verdelen van de buit.'" (p. 13)

In de politiek komt het allemaal voor. Intriges, list en bedrog. We hebben allemaal onze idealen, maar als de zucht naar macht prevaleert, maken politici rare sprongen. Een vriend gaf me Asterix. De intrigant cadeau. Een must read als je je wil bewegen in het politieke landschap, zei hij.

Julius Ceasar zit met zijn handen in het haar omdat hij met kracht en geweld het Gallische dorpje van Asterix en Obelix niet weet te veroveren. Een van zijn mannen komt op het lumineuze idee om een onruststoker het dorp in te sturen die tweespalt veroorzaakt teneinde de Galliërs te verjagen. Cassius Catastrofus - een onderkruiper eerste klas - wordt uit de Romeinse kelders geplukt en naar het Gallische dorp gestuurd. Catastrofus biedt Asterix een heel mooie dure vaas aan en de ruzie en jaloezie breekt uit in het dorp. 

De intrigant laat op een geweldige manier zien hoe gemakkelijk het is om 'psychologische oorlog' te voeren en de beste vrienden uit elkaar te drijven. Een heerlijk herkenbare knipoog naar de politiek.

zondag 21 augustus 2011

Sterremeer. F. Springer

"Maar nu het allerbelangrijkste,' zei hij en haalde een krantenknipsel uit zijn binnenzak. Behoedzaam streek hij het glad op het tafelblad.
'In onze Dichtershoek vandaag een inzending van Felix Sterremeer (negentien jaar) uit de Residentie,' las ik. 'Wij hebben lang niet zulk origineel werk kunnen publiceren. De redactie is ervan overtuigd dat Felix S. nog veel van zich zal laten horen. Proficiat!'
Aan lezing van de drie gedichten kwam ik niet toe. Hij legde een hand op het papier.
'Niet hier!' Deze prozaïsche omgeving was ongeschikt voor verzen. Die schreef je en las je bij kaarslicht, een blote muze op schoot en ook een glas wijn onder handbereik." (p. 13-14)

Toen ik jaren geleden voor mijn scriptie-onderzoek ruim 60 raadsleden door het hele land bezocht, zocht ik naar een geschikt genre letters om tijdens de treinreizen en observaties te lezen. Ik koos voor boekenweekgeschenken: korte verhalen zonder ingewikkelde gelaagdheid waarbij ik prima afgeleid kon worden. In weinig tijd maakte ik kennis met uiteenlopende schrijvers, slechte verhalen en juweeltjes. Het fierst was ik op Oeroeg van Hella Haasse dat ik in eerste druk in de boekenkast van mijn moeder vond.

Voor een lange vlucht naar Vancouver deze zomer dook ik in het ongelezen deel van mijn boekenweekgeschenkverzameling. Sterremeer van F. Springer uit 1990 ging mee het vliegtuig in.

Op de achterflap van het boek prijkt de olijke kop van de schrijver, waarvan ik nooit eerder iets las. 'Moet die man niet wat serieuzer kijken?' dacht ik. Na drie bladzijdes concludeerde ik dat Springers hoofd uitdrukt wat hij schrijft. In een vol vliegtuig zat ik hardop te lachen bij de scène waarin aanstaand mislukt dichter Felix Sterremeer tijdens een literaire avond voor schut wordt gezet. Na een pagina of veertig slaat de sfeer om van dolkomisch naar tragisch.

Springer neemt een risico door lagen aan te brengen in het verhaal. Een kort verhaal moet niet té ambitieus zijn met gelaagdheid. De parallellen zijn opzichtig en vliegen soms kort door de bocht. Toch is Sterremeer een heel lezenswaardig boekenweekgeschenk met een mooi, afgerond einde.
Boekenweekgeschenken en reizen van een paar uur. Ik vind het een uitstekende combinatie.

zaterdag 16 juli 2011

James Worthy

'Mijn uitgever, meneer Van Groningen, loopt op me af met twee slecht getapte biertjes in zijn hand. 'James, doe iets met deze pijn. Schrijf het van je af, maak literatuur van Polly. Vertel! Hoe zien je dagen eruit?'
Ik pak een biertje uit zijn hand, kijk naar zijn patserige klokje en zucht diep. 'Het is een teringbende, Van Groningen, ik zit vast in een web van porno, lege pizzadozen en goedkope pils. Mijn avondeten bestaat uit Choco Pops of magnetronloempia's. In de douche staan acht flessen shampoo, zeven ervan zijn leeg en ik heb vaak pas na vijf keer proberen de volle fles in mijn klauwen. Dan ben ik nog niet eens over de vrouwen begonnen.' (p. 68)

Een nieuwe ster meldt zich aan het firmament. Althans, zo presenteert hij zichzelf en een groepje volgelingen om hem heen. James Worthy debuteert met een roman met de eenvoudige titel James Worthy. Gehyped door de boekhandel met grote stapels in de looproute en hieperdepiepteksten van zijn vrienden op de achterflap, is de marketing van het boek sterk. Tegelijk is dat voor mij een alarmbel. Na aankoop van het boek op 21 mei schreef ik voorin: 'Uit nieuwsgierigheid. Eigenlijk spreekt de achterkant me meer tegen dan aan.'

James Worthy doet me in thematiek denken aan de boeken die ik op mijn achttiende las van Giphart en Zwagerman. Geschikt voor jongvolwassenen, onbevangen over seks, liefde, vriendschappen en de keuzes voor de toekomst. En daarmee houdt elke vergelijking op. James Worthy is niet grappig, nee sterker, zijn grappen zijn slecht en kinderlijk. Als een cabaretier teksten als '...uitgegeven door De Vlezige Dij,' (p. 16) of 'Vooral als we met z'n tweeën op stap gaan, is het hek van de spreekwoordelijke sletjesdam,' (p. 98) zou bezigen, zou de halve zaal voor de pauze al opstappen. Worthy is grof zonder dat het schuurt en of een spiegel is. Een plat verhaal over de wereld die nietsontziend draait om Worthy zelf.

Na het lezen van James Worthy weet ik een paar dingen:
- Ik ben niet de doelgroep voor dit boek. Het zal ongetwijfeld aftrek vinden bij jongvolwassenen, die hopelijk toch eerder literatuur van Wolkers, Grunberg, Giphart of Zwagerman uit de boekenkast pakken.
- Er wordt te veel troep uitgebracht op de Nederlandse boekenmarkt en die zeepbel lijkt as we speak te knappen.
- Mijn waardering voor de soms ongepolijste maar doorwrochte en tintelende debuten van bijvoorbeeld Victoria, Pollux en Rovers is na het lezen van Worthy en Waumans huizenhoog gestegen. Een roman schrijven is een vak. Dat vraagt intelligentie, inspanning en de discipline om net zo lang te prutsen aan de tekst totdat de puzzel klopt.

James Worthy noemt zichzelf steevast dat schrijvertje. Ik hoop dat hij over zijn eigen schaduw kan heenstappen om een schrijver te worden.

vrijdag 15 juli 2011

Rood. Een bekoring. Midas Dekkers

'Poezen en rode vrouwen drukken op dezelfde knopjes van je ziel. Beiden zijn het roofdieren met intrekbare nagels, knuffels die kunnen blazen, troosteressen zonder genade, verleidsters met ingebouwde straf, koninginnen van de nacht, verpakt in het betoverendste vel dat op het moment van fabricage verkrijgbaar was. Hun kracht schuilt in hun dubbelzinnigheid. Die dubbelzinnigheid brengt je aan het twijfelen. Maar nooit aan hen. Altijd aan jou.' (p. 31)

Wij roodharige vrouwen vormen een stil verbond. We zijn een minderheid, willen nooit bij de massa horen en weten dat we ontembare aantrekkingskracht hebben op bepaalde mannen. Eén van die mannen is Midas Dekkers. Katten en roodharige vrouwen. Daar houdt hij van. Zijn liefde voor (of verlangen naar?) roodharigen gaat zo ver dat hij er een boek over schreef. En wel, omdat mijn nieuwsgierigheid het weer 'ns won, stond ik op de dag van verschijnen bij de boekhandel.

Rood. Een bekoring is een ode aan de roodharige vrouw. Pagina na pagina is een egostrelende ophemeling voor elke roodgeborene als ik. Dekkers haalt uit alle spelonken van de geschiedenis, biologie en literatuur feiten die hij verknoopt en verbindt tot er een volstrekt warrig epos ontstaat dat de uniciteit van de roodharige vrouw verklaart.

Is dat de moeite van het lezen waard? Ach. De eerste twintig bladzijdes zijn grappig, aardig en doen me goed. Daarna wordt het meer van hetzelfde zonder richting of doel. Rood. Een bekoring past prima in de categorie veelverkochte, nooit gelezen cadeauboeken. En ook in mijn boekenkast omdat de omslag zo mooi is.

woensdag 13 juli 2011

De Finklerkwestie. Howard Jacobson

'Op straat was het ongeveer net zo druk als twee weken geleden. De vrouw die hem had overvallen, had vast iets beters te doen dan in het donker staan wachten voor het onwaarschijnlijke geval dat hij zou terugkomen. En waarvoor? Stel dat ze spijt had van wat ze had gedaan en hem zijn kostbaarheden wilde retourneren? Of dat de beroving alleen een voorproefje was van wat ze werkelijk voor hem in petto had. Een mes in zijn hart misschien. Een pistool op zijn slaap. Een zaag op zijn keel.' (p. 109)

Een boek kan nog zo geweldig, geprezen en gelauwerd zijn, soms past het gewoon niet bij me. Calvinist als ik ben, worstel ik door totdat ik besef dat het punt van absolute afkeer en tegenzin is bereikt. In het geval van De Finklerkwestie van Howard Jacobson was dat op pagina 129, op eenderde van het boek. Klaar.

De Finklerkwestie won in 2010 de Man Booker Prize en dat maakte me nieuwsgierig. Ik hou graag – enigszins - bij wat wereldwijde literaire trendsetters zijn om enkele jaren later te bekijken in hoeverre dat zijn weerslag heeft op de Nederlandse literatuur. Winnaars van de Booker Prize staan garant voor veel lezers en grote aandacht. Bovendien trok de achterflap mijn interesse: een roman over vriendschap tussen drie mannen die als ‘scherp, weemoedig maar ook ongelooflijk geestig’ wordt omschreven door de critici.

De roman gaat inderdaad over drie vrienden in Londen. Twee zijn van joodse komaf en de derde, Treslove, is geobsedeerd door dat gegeven. Daarin gaat hij zo ver dat hij zich laat leiden door waanideeën en afraakt van de realiteit. Wat me tegenstaat is de traagheid, de gelatenheid en de manier waarop Treslove zichzelf zonder verzet in het moeras van depressiviteit laat zakken. ‘Kom op vent, maak er wat van. Je kunt alles hebben wat je wil hebben,’ hoor ik mezelf tegen Treslove zeggen. En als ik merk dat hij na 129 bladzijdes nog niet luistert, hou ik op met helpen. ’t Is trekken aan een dood paard.

Hup. Op naar de boekenkast voor een nieuwe papieren vriend die mijn inlevingsvermogen wél kan waarderen.

Naschrift:

Tijdens Perron 500 constateerden we dat de subtiele Engelse humor in de Nederlandse vertaling goeddeels verloren is gegaan. Voor degene die de originele versie lazen, maakte de humor het boek dragelijk en sterk, terwijl ik het in de vertaling humorloos en gortdroog vond.

De essentie van het boek - de joodse kwestie - is me geheel ontgaan, of anders gezegd, zo ver ben ik niet gekomen. Ook de aanwijzing op de kaftfoto (een Palestijnse sjaal naast de jas en joodse hoed) is in de Nederlandse uitgave vervallen. Volgens mijn Perrongenoten is De Finklerkwestie in de originele Engelse uitgave zeer de moeite waard om tot het einde uit te lezen.

zondag 10 juli 2011

Het kind en ik. Hans van Mierlo

'Ik moest een missiekruis gaan kopen bij Van Wees op het Kasteelplein. Voor in de kelder om ons bij te staan als het zover was, een zilverachtig bronzen kruis. Een klein uur heen en een klein uur terug. Het was zaterdag, 3 november. Rond het middaguur was ik op het Oranjeplein, waar het oude Ginniken begint. Bij de houthandel Van Dijk hoorde ik een enorme klap. Ik dacht dat er een grote stapel rechtopstaande planken was omgevallen. Maar er was niets te zien. De eerste inslag van een granaat. Een man fietste voorbij en zag me staan. 'Naar huis, jochie,' riep hij, 'ze zijn bij Bavel.' Ik zette het op een lopen. Ademloos kwam ik thuis en riep: 'Ze zijn al bij Bavel!' 'Naar de kelder,' zei mijn vader. (p. 81-82)

Het is maar een dun boekje en het voorwoord van Conny Palmen is bijna langer dan de verschenen memoires van Hans van Mierlo zelf. In dit geval is dat niet erg. Van Mierlo overleed en Palmen besloot de geschreven pagina's uit te geven in Het kind en ik.

Zestig pagina's van wat het begin had moeten zijn van een uitgebreid beschreven leven waarin politiek de leidraad was. In Het kind en ik vertelt Van Mierlo over zijn kindertijd tijdens de oorlog in het katholieke Breda en hoe hij met het gezin steeds de dans wist te ontspringen.
'Geen schrammetje, geen familielid te betreuren, geen vrienden geëxecuteerd. Geen verdriet dus, wel angst, felle angst (...).' (p. 21)
De oorlogstijd tekende Van Mierlo. Daarmee heeft hij de meest vormende - en voor het publiek meest onzichtbare - tijd in zijn leven zelf beschreven. Ik wacht op degene die het stokje overneemt voor de rest van zijn biografie.

donderdag 16 juni 2011

Als je de stad binnenrijdt. Rob Waumans

'Boven het tafeltje naast de koffieautomaat hangt een kalender van de gemeente. Elke maand heeft een foto van een kunstwerk in de stad. Ik heb de kalender eens doorgebladerd en vond geen enkele maand mooi. Wel kon ik van negen van de twaalf kunstprojecten de exacte locatie noemen.' (p.10)

Al eerder schreef ik het. Ik hou van literaire debuten. Leeftijdgenoten die hun eerste, soms wat onbeholpen maar levenskrachtige pennenvruchten mogen publiceren omdat uitgevers erin geloven. Ruwe diamanten die met hard werken en het geluk van de juiste tijdgeest geslepen hopen te worden.

In Als je de stad binnenrijdt van Rob Waumans verhaalt Gert Verhulst over zijn bestaan als parkeerwachter in Amsterdam. Hij leeft de regels strikt na en houdt het aantal boetes dat hij per dag schrijft bij in een excelbestand. Dat zijn collega's liever koffie drinken dan boetes geven, vindt hij onbegrijpelijk.

Rob Waumans toont met Als je de stad binnenrijdt geenszins het karakter van een ruwe diamant. Eerder dat van een stuk beton dat hij naar believen in elke gewenste vorm giet. Voor dit boek kwam de gietvorm van Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht van Mark Haddon goed van pas. Iets té goed. Al op pagina 10 - bij het citaat hierboven - erger ik me aan de overgenomen stijl die bij Waumans een geïmiteerd maniertje wordt. Dat mondt uit in een kinderlijke toon waar Waumans bovendien regelmatig uitvalt met volwassen zinnen als 'Ik ervaar onze verbondenheid' (p. 223).

Die onregelmatigheid in de stijl en toon zorgen voor een niet-consistent karakter van de hoofdpersoon. De doorgaans naïef-emotieloze Gert kan zonder aanleiding asociaal ontvlammen of emoties verwoorden.
Een goede schrijver is in staat me te laten meeleven met de grootste moordenaar, naïeveling of kat. Bij deze Gert voel ik op geen enkel moment compassie. Niet als hij kwaad wordt op zijn naamgenoot Gert van Samson en niet als zijn moeder sterft.

In Als je de stad binnenrijdt ontbreekt de intelligentie en de bevlogenheid die ik in romans van andere debutanten proef. Maar allez. Waumans heeft - hoe dan ook - het geluk van de juiste tijdgeest.

zondag 15 mei 2011

Minoes. Annie M.G. Schmidt


'U moet zich wat beter beheersen, juffrouw Minoes. Een dame krabben, enkel omdat ze een mantel van kattenbont aanheeft, bah!'
'Als ze weer hier komt, krab ik haar echt,' zei Minoes.
'Onzin. Ze heeft die mantel in een winkel gekocht en toen ze 'm kocht waren die katten allang dood. Het komt allemaal omdat u te weinig met mensen omgaat. U zit te veel op de daken. U bent te weinig op straat.'
'Ik was vannacht nog op straat.'
'U moet meer overdag op straat. Boodschappen doen. Gewoon, net als andere dames.'
'Goed. Maar ik wacht wel tot het donker is,' zei Minoes.
'Nee, dan zijn de winkels dicht. Nu.'
'Ik durf niet.'
'Brood en beschuit moet u kopen,' ging Tibbe door.
'Ik ben bang.'
'En de vis is op. Onderweg zou u even langs de haringman kunnen gaan. Hij heeft een stalletje op de hoek van de Groenmarkt.'
'O,' zei Minoes. 'Misschien dat ik leer durven. Als ik eenmaal op straat ben.'
'Vast wel,' zei Tibbe. 'Langzamerhand leert u durven. Alleen...'
'Wat?'
'Ik wou liever niet dat u de haringman kopjes geeft.' (p. 48-49)

In haar biografie las ik dat Annie M.G. Schmidt Minoes op latere leeftijd schreef en het, hoewel een kinderboek is, vooral een boek is dat Schmidts leven van dat moment weerspiegelt. Uiteraard had ik al een traantje bij de film weggepinkt, maar het boek lag nooit op het nachtkastje van mijn kinderkamer.

Minoes op het nachtkastje van een volwassene is genieten. Het ontroerende verhaal van Juffrouw Minoes en de wat schuchtere journalist Tibbe moge alom bekend zijn. Het heerlijke van de schrijfstijl van Schmidt is dat het luchtig, vanzelfsprekend en zo vlot leest. Intussen gaat het wel degelijk over durf, eerlijkheid, vriendschap en moeilijke keuzes. Dat is het kenmerk van goede jeugdliteratuur: ogenschijnlijk eenvoudig geschreven raakt het de essentie van het leven.

maandag 18 april 2011

Anna. Het leven van Annie M.G. Schmidt. Annejet van der Zijl

"Je moet enkel maar alles volbrengen wat je je hebt voorgenomen. Je hoeft alleen maar je goede voornemens uit te voeren. Dat is alles. Een nieuw leven beginnen. Een schone lei. Een schone bladzij. (Uit: Impressies van een simpele ziel, 1953)." p. 205

Een boek kan een hele poos staan wachten voordat de tijd rijp is en ik 't uit de kast pak. Wanneer die tijd daar is, weet ik nooit. Gewoon, afhankelijk van de zon of hoeveel zin ik heb in aangrijpende taferelen. De biografie over Annie M.G. Schmidt, Anna. Het leven van... door Annejet van der Zijl wachtte een jaar om vervolgens in één ruk uitgelezen te worden.

We kennen allemaal de liedjes, kinderverhalen en -gedichten van Annie M.G. Schmidt. Daarnaast schreef ze talloze musicals, cabaretteksten, toneelstukken, televisieseries en nog meer. Is het dan boeiend om van deze vrouw een biografie te lezen, vroeg ik me af. Het antwoord was me binnen tien pagina's duidelijk. Dat is boeiend.

Het mooie aan een biografie van een schrijfster wier werk je kent, is dat je parallel daaraan haar levenslijn kunt volgen. Schmidts werk krijgt nieuwe betekenis voor me en de veelkleurigheid van haar leven leert me hoe zij omging met lastige keuzes en onzekerheden, die niet minder werden naarmate ze ouder werd.

De biografie leest als een roman en staat bol van smeuïge, grappige en knellende anekdotes. Schmidt was geen kat om zonder handschoenen aan te pakken en gooide te pas en te onpas haar kont tegen de krib. Toen ze zich met tegenzin tot de redactie voegde van Opzij, was dit haar eerste bijdrage voor het blad:
"Er bestaat geen mannelijke overheersing. Het is net andersom. De vrouw overheerst. Zij heeft de man tot een werktuig gemaakt en tot haar willige slaaf. Zij is de uitbuitster." (p. 325)
Dat ze niet populair werd binnen de feministische beweging, interesseerde haar niks. Juist niet. Op latere leeftijd schreef ze:
"Ik wil overal wat van snoepen, overal te gast zijn en nergens bijhoren. Dat is mijn vrijheid." (p. 363)
Daaruit spreekt de drang authentiek te willen zijn, ook al betekende dat bij Schmidt tevens lastig en nukkig zijn. Of dat mag als je een heel grote mevrouw bent, laat Van der Zijl ter beoordeling aan de lezer. De biografie van Annie M.G. Schmidt is een prachtig werk dat mijn zin in méér biografieën aangewakkerd heeft.