woensdag 5 mei 2021

Het geknetter in de sterren. Jón Kalman Stefánsson

"De dagen zijn dikke, zwarte naaktslakken. Ik heb geen zin om met Pétur of de beide broers af te spreken, zit meestal in mijn kamer, praat met de tinnen soldaatjes en ze helpen mij met mijn huiswerk. Het rekenen gaat vooruit, ik krijg ik-weet-niet-hoeveel sterren in mijn rekenschrift, maar hoe ik ook reken, hoeveel gecompliceerde sommen ik op weet te lossen, hoe ik de tafels van vermenigvuldiging draai en keer, nooit komt mijn moeder er als uitkomst uit." (p.104)

Een zevenjarige jongen (de ik-persoon) woont met zijn vader in een flat in Reykjavik. Op de dag dat zijn moeder wordt begraven, krijgt hij een zak met tinnen soldaatjes, Britse en Duitse. De soldaatjes praten met hem, en helpen hem om te gaan met zijn verdriet. Op een morgen stapt er uit de slaapkamer van zijn vader een norse vrouw, die zijn stiefmoeder blijkt te worden. 

De ik-persoon vertelt parallel aan zijn eigen verhaal als zevenjarige, ook dat van zijn familie. Daarbij wisselt hij van perspectief tussen zijn zevenjarige en veertigjarige ik. De verhalen over zijn overgrootvader en -moeder zijn een dominante lijn in het boek. Zijn overgrootvader is begin twintigste eeuw een uitstekende handelaar in vastgoed, maar kan zich tegelijkertijd volledig verliezen in dagen, weken van drankmisbruik waarin hij alles verruïneert wat hij opgebouwd heeft. Zijn overgrootmoeder gaat daar doortastend mee om, maar stelt ook haar grenzen en neemt op een goed moment een aantal richtinggevende besluiten. 

Het geknetter in de sterren van Jón Kalman Stefánsson is een wondermooi geschreven, kleine geschiedenis van een IJslandse familie: "zes levens, honderdvijftig jaar en een roodharige zeeman". Enerzijds is er het leven van het jongetje in de stad in de jaren '60, waarbij de dingen tot leven komen, zoals onderweg naar school zijn rechterhand steeds naar haar linker tast die diep in de grond is begraven. Of de Trabant die niet één keer opkijkt, de spullen in huis die de vader en het jongetje haar verdwijning verwijten. De dood van zijn moeder is zo aangrijpend en ontroerend beschreven dat het tastbaar wordt. Anderzijds is er het leven van de overgrootvader en overgrootmoeder in het oude stadje Reykjavik dat toen niet meer dan een nederzetting was, en de overweldigende natuur: de fjorden, de nabijgelegen gletsjer en het leven met de elementen. Stefánsson gebruikt daarbij een heel eigen domein van poëtische verbeeldingskracht dat het verhaal samen met de IJslandse context tot een roman maakt dat me niet losliet tot de laatste pagina.

zondag 25 april 2021

De ontdekking van Urk. Matthias M.R. Declercq

Toen in februari 2021 op Urk een GGD-teststraat in brand werd gestoken door jongeren, waren de veroordelingen in de publieke opinie niet van de lucht. 'Hek erom en nooit meer iemand naar buiten laten!' 'Inteelttuig!' en meer van zulks. Het prikkelde me om eindelijk dat boek over Urk te kopen, dat in oktober 2020 als een verrassing verscheen: De ontdekking van Urk door Matthias M.R. Declerq. Een voor ons onbekende Vlaamse journalist die uitermate gedegen onderzocht hoe het dorp, de Urker gemeenschap in elkaar steekt. De aanleiding vond tien jaar eerder plaats, toen hij één etmaal de tijd had om een artikel te schrijven voor de krant over een moord op Urk. Veel te kort om de context te duiden en dat bleef Declercq dwarszitten. Dus besloot hij in 2019 naar Urk te varen (in de geest van het eiland dat het ooit was) en er te gaan wonen. Hij vond snel een gastgezin. Een artikeltje in de plaatselijke krant opende vervolgens - hoewel niet altijd vanzelf - deur na deur. 

Declercq bouwt zijn boek razend knap op. Om Urk te begrijpen, start hij bij het begin: de tijd dat Urk een eiland was en leefde van de visserij. Er kwamen geen mensen van het land wonen; slechts wetenschappers kwamen van tijd tot tijd langs voor schedelmetingen en andere vernederende onderzoeken. Toen het zoute water zoet werd en Urk vasteland, veranderde alles en ook weer niet. De gemeenschap bleef hecht, God het belangrijkst en visserij de grootste bron van werkverschaffing. Televisie en radio zijn in de zwaarste kerken nog steeds verboden, maar internet niet. Van de geschiedenis, het rotsvaste geloof (en later de haarscheuren daarin) en het oude hart van het dorp, bouwt Declercq zijn verhaal uit naar de nieuwbouwwijken en industrieterreinen van het dorp waarin hij ook de jeugd, illegale cafés en de drugshandel onderzoekt. 

Declercq denkt na over de vraag wanneer je bij Urk hoort. En dat is alleen als je een Urker paspoort bezit:
"Concreet leiden de determinanten - de kerk, de kotter en de kinderen - op Urk tot een diagram aan vragen waarbij de antwoorden tot een steeds gedetailleerder paspoort leiden (...). De antwoorden vormen het onwrikbare paspoort dat bepaalt wie je bent, en schrijft voor dat je je zult houden aan de kerkelijke regels, aan de gedragsregels, aan de familiale regels en zelfs aan de kledingregels en de moraal." (p. 97) 
Ook al woon je twintig jaar op Urk, ben je een trouwe werknemer en voorbeeldig gezin, zonder dat paspoort hoor je er niet bij en zul je dat ook nooit doen. 

De ontdekking van Urk is een fantastisch journalistiek werk. Juist doordat Declercq zonder vooroordelen het dorp betrad, en die oordelen in het boek ook achterwege laat maar vooral wil weten waaróm zaken op Urk zo gaan, geeft hij een zo zuiver mogelijk beeld van het dorp. Dus als iemand nu nog roept 'hek erom!', dan alleen nadat hij dit boek heeft gelezen.

zondag 11 april 2021

De fantastische Meneer Vos. Roald Dahl

'Bolus en Bits en Biet
Eén dik, één klein en één dunne spriet.
Nu kijken die schurken
op hun neuzen als augurken
want Meneer Vos, die vangen ze niet!' 
(p. 95)

'Deze móet je lezen mam, dit boek is echt geweldig!' Mijn dochter van 8 leest graag en veel. Bij de keuze van boeken in de bieb is ze uiteraard vrij te kiezen wat ze wil (want wie wil er nu boeken lezen waar je geen zin in hebt?), maar ik breng wel boeken onder haar aandacht. Met name van schrijvers die ik vroeger zelf graag las, of van schrijvers van wie ik wenste dat iemand mij daar destijds op geattendeerd had. Want in mijn herinnering koos ik vroeger op goed geluk het maximale aantal te lenen boeken uit de bieb. Niemand vertelde me wat mooi, leuk of grappig was, wie bijzondere schrijvers waren of die me vroeg me waar ik interesse in had. 

Later, op de middelbare school, kocht ik jaarlijks de Grote Lijsters en las ze achter elkaar. Het enige wat mijn mavo-leraar Nederlands zei, was: "Je mag ook gemakkelijkere boeken lezen hoor." Toen, en nog steeds, was ik verontwaardigd over die uitspraak. Heb je op de mavo eindelijk iemand die (onbewust) literatuur verslindt, ontmoedig je haar in plaats van haar te wijzen op nog meer mooie boeken. 

Enfin. Het kan zijn dat ik het gemis in mijn eigen jeugd projecteer op mijn kleine boekenwurm, maar altijd praten we erover, toets ik bij haar wat ze graag leest en probeer ik haar te adviseren. En dat laatste krijg ik nu terug. Ze komt me blij vertellen wat ze gelezen heeft en dat ik dat ook écht moet lezen. 

De fantastische Meneer Vos van Roald Dahl dus. Het verscheen in 1972 en als kind las ik het niet. Meneer Vos woont met zijn gezin op de heuvel. In het dal wonen drie rijke, gemene boeren: boer Bolus, boer Bits en boer Biet. Elke avond vraagt Meneer Vos aan zijn vrouw wat ze vanavond wil eten, om vervolgens bij een van de boeren kippen, eenden, ganzen, kalkoenen en appelcider te stelen. Maar de drie boeren zijn het zat. Ze zetten alles op alles om Meneer Vos te vangen. Ze schieten op hem, graven zijn hol uit en proberen hem uit te hongeren, al moeten ze tot in de eeuwigheid voor het hol wachten. Maar Meneer Vos is niet voor niets een vos en is de boeren natuurlijk veel te slim af.  

Dahl gaat niet voorbij aan het geweten van de sluwe vos: Das vraagt zich af of Meneer Vos niet inzit over al het gesteel. Meneer Vos ziet dat anders en heeft zijn weerwoord klaar: 'Bolus en Bits en Biet willen ons vermoorden', en niet andersom. Meneer Vos steelt alleen voedsel om de families in het bos in leven te houden. 'Dat zullen we wel moeten, vrees ik', zegt Das. 

Mijn dochter heeft gelijk: De fantastische Meneer Vos is een geweldig verhaal. Een klein dier dat drie grote, boze boeren voor de gek houdt en ondertussen voor alle dieren in het bos een heerlijk feestmaal aanricht. Vijftig jaar na verschijning - we haalden de 56e druk(!) uit de bieb - heeft dit boek niks aan actualiteit en vaart ingeboet en kan het zo nog vijftig jaar mee. Heerlijke jeugdliteratuur.

zondag 21 maart 2021

Lentetuin. Tomoka Shibasaki

'Ook het leven dat iedereen benijdde, was niet noodzakelijk geschikt voor jezelf. En toch, als iemand me aanbood in dit huis te wonen, zou ik daar geen twee keer over nadenken, dacht Taro.' (p. 97)

Taro woont sinds zijn scheiding in een Tokiose flat. De flat bestaat uit zes appartementen, waarvan er drie leegstaan omdat het gebouw gesloopt zal worden. Bouwgrond is schaars in Tokio en iedere flateigenaar die meer appartementen op zijn stukje grond kan laten bouwen en er zodoende meer mee kan verdienen, zet zijn huurders uit, sloopt en bouwt. Mensen verhuizen gelaten, geven spullen door die niet meer meekunnen naar hun volgende woning en raken elkaar kwijt.  

Achter de flat van Taro staat een blauw huis. Nishi, een van de andere twee bewoners in Taro's flat, is geobsedeerd door het blauwe huis. Ze heeft er een fotoboek van dat Lentetuin heet en wil dolgraag het blauwe huis van binnen zien. Taro neemt haar fascinatie over. Wie kan het zich veroorloven een heel huis te bewonen? Hoe komt het dat dit huis nog niet gesloopt is? Op een van de foto's in het fotoboek graaft een man een gat in de tuin. Wat ligt daar begraven?

Nishi weet aan te pappen met de vrouw des huizes en komt er wekelijks over de vloer. Als Taro een keer wolhandkrabben krijgt als dank voor een doorgegeven koekoeksklok, mag hij mee naar het blauwe huis waar de krabben tot feestmaal worden bereid. Juist als Taro aansluiting vindt bij zijn buren, blijken zowel Nishi als de bewoners van het blauwe huis ook weer te verhuizen.

Voor Lentetuin ontving de Japanse schrijfster Tomoka Shibasaki in 2014 de belangrijkste literatuurprijs van Japan. Het is een roman waarin architectuur een grote rol speelt. De woningen en hoe mensen wonen, worden gedetailleerd beschreven. Tokio wordt afgeschilderd als permanente bouwput waar het comfort van de bewoners niet voorop lijkt te staan. De mens is eerder een voortdurend te verplaatsen product, dat zich lijdzaam voegt naar de omstandigheden van een opgezegde huur of baan. Dat maakt de mensen eenzaam en op zichzelf. Het blauwe huis brengt in dat opzicht lente, doordat het nieuwsgierigheid en creativiteit oproept, en de onbevangen kinderen enige vrolijkheid brengen. Toch wordt het boek nergens warm. De mensen spreken zich niet uit, zijn immer voorzichtig en afstandelijk. Met deze sfeer als gegeven, slaagt Shibasaki er toch bijzonder goed in lezer in de huid van flatbewoners te laten kruipen en hen deelgenoot te maken van hun ongeremde voyeurisme. 

zondag 14 maart 2021

Gemeente zegt ik Nederlands leren. Said El Haji

 
'Wij zijn blij
Wij zijn slim
Wij zijn lief
Wij zijn ver van huis
Wij zijn Rotterdammers' (p. 96)

In Gemeente zegt ik Nederlands leren beschrijft neerlandicus Said El Haji hoe het is om docent Nederlands als tweede taal te zijn voor nieuwkomers en oudkomers: voor iedereen die van de gemeente op taalles moet om Nederlands te leren. Uiteindelijk is het doel van de gemeente om hen meer kans te bieden op reguliere scholing, een baan en onafhankelijkheid van de overheid. Dat blijkt in de praktijk niet gemakkelijk. 

El Haji beschrijft een grote variëteit aan taalleerders die vaak in hun land van herkomst weinig onderwijs hebben genoten en bij wie het besef dat het leren van een nieuwe taal moeite en herhaling kost, niet aanwezig is. Dat is geen verwijt, eerder een constatering. En waar begin je dan? El Haji benadrukt dat hij een onbekwaam docent is, omdat hij zijn Certificaat Bekwaam NT2-docent nog niet behaald heeft. Vast spottend bedoeld, omdat een docent wel bevoegd kan zijn, maar daarmee niet aangetoond bekwaam is om les te geven. Daarvoor heb je een arsenaal aan didactische en sociale vaardigheden, en creativiteit nodig die El Haji wel degelijk blijkt te bezitten en die hij ten volle nodig heeft om de zeer gemêleerde gezelschappen die hij in zijn klassen heeft, aan het Nederlands te zetten. De cursisten komen structureel te laat, willen bidden of bellen tijdens de les of eerder weg, hebben psychische problemen of zijn snel in hun eer aangetast. Ze hebben afhankelijk van hun afkomst moeite met de uitspraak of juist met grammatica, en vinden lidwoorden en de woordvolgorde van de bijzin allemaal lastig. El Haji behandelt zijn cursisten met liefde, aandacht en respect, en maakt duidelijk dat hij dat laatste ook van zijn cursisten verwacht. Tegelijk is hij zo trots als een pauw als zijn cursisten een paar stappen vooruit zetten en hun examen halen. 

De beschreven ervaringen van El Haji zijn voor mij om twee redenen interessant: vanzelfsprekend omdat ik neerlandicus ben en het boeiend vind te lezen hoe zowel een docent als taalleerders het overbrengen en aanleren van onze taal ervaren. Belangrijker vind ik het om als ambtenaar (van toevallig dezelfde stad als de meeste cursisten in dit boek) te lezen hoe het beleid van een gemeente uitpakt in de praktijk. Helpt het als we iedereen Nederlands laten leren (ik ben er heilig van overtuigd van wel) en welke verwachtingen hebben we van mensen die hier hun bestaan komen opbouwen? El Haji wijst er terecht op dat het geen zin heeft om 'iemand die in het land van herkomst nauwelijks verder is gekomen dan groep 5 en in Nederland alleen maar ongeschoold werk heeft gedaan [...] te confronteren met deftige emails' (p. 30). Zo bezien kunnen niet alleen de cursisten wat van El Haji leren, maar het ambtenarencorps ook. 

zondag 14 februari 2021

Oliver Twist. Tiny Fisscher, naar Charles Dickens

'Oliver werd in een werkhuis geboren. Zijn moeder was die nacht in de stromende regen op straat gevonden, uitgeput en op kapotte schoenen. Niemand wist waar de jonge vrouw vandaan kwam of hoe ze heette, maar haar dikke buik maakte duidelijk dat ze op het punt stond een baby te krijgen. Ze werd snel naar een nabijgelegen werkhuis gebracht.' (p. 11).

Oliver's moeder sterft meteen na zijn geboorte en Oliver groeit op in een werkhuis waar de kinderen zeer slecht behandeld worden. Hij weet te vluchten en loopt naar Londen. Daar valt hij in handen van criminelen die hem opdragen zakken te rollen. Als hij bij overval wordt opgepakt en tijdens de rechtzitting ziek wordt, wordt hij meegenomen en verzorgd door de man wiens zakken hij rolde. Langzaam ontdekt Oliver dat hij misschien toch nog familie heeft en sommige mensen een ander belang hebben dan hem de waarheid over zijn afkomst te vertellen. 

Oliver Twist, een van de beroemde boeken van Charles Dickens, geschreven rond 1838, is opnieuw uitgebracht. En niet zomaar. Tiny Fisscher maakte een sterk bewerkte hertaling, waarbij ze zowel de taal als de stijl grondig aanpakte. Lange uitweidingen kortte ze in omdat ze vindt dat een boek als Oliver Twist het verdient om door een groot publiek gelezen te worden, 'ook door volwassenen die niet meer door de weliswaar prachtige, maar wollige en breedsprakige taal van Dickens heen komen', schrijft ze in het nawoord. Dat is haar uitstekend gelukt. Het is een vlot verhaal in overzichtelijke hoofdstukken en prachtige tekeningen van Annette Fienieg. 

Ik ben enorm blij met de tendens om klassieke (jeugd)literatuur te hertalen naar toegankelijk Nederlands dat past bij deze tijd. Het is niet meer realistisch om van onze kinderen en onszelf te verwachten dat we ons door de oude, taaie taal heen werken om literatuur van bijna twee eeuwen terug te leren kennen. We kunnen dus kiezen: of we lezen de oude werken niet meer waarmee ze verdwijnen uit onze collectieve boekenkast, of we hertalen ze waardoor de verhalen nog heel lang tot ons literair domein behoren. Wat mij betreft een simpele keuze. Graag meer van dit soort prachtige uitgaven.

zaterdag 6 februari 2021

Jaguarman. Mijn vader, zijn vader en andere Surinaamse helden. Raoul de Jong

'Elders op de wereld werd de geboorte van het kindeke Jezus gevierd. Hier was alleen de donkere, levende jungle. Die ademde en praatte en de mensen die erin leefden hielp om het leven te vieren. Ik ben blij dat u me dat heeft laten zien, Jaguarman. Ik ben blij dat ik gezien heb dat in dit leven ook zo'n soort leven mogelijk is. Het helpt me bij het maken van onderscheid tussen zin en onzin, hier tussen de flatgebouwen.' (p. 159) 

In Jaguarman gaat Raoul de Jong op zoek naar zijn Surinaamse oervader, Jaguarman. In die zoektocht, die start bij zijn vader die hij pas op zijn 28e bewust ontmoet, gaat hij zijn familiebanden na, maar zoekt hij ook verder. Hij voert een tocht langs Surinaamse verzetshelden, schrijvers, historici, cultuur- en natuurbeschermers en intellectuelen, om zo uit te komen bij Jaguarman, bij de oerkracht die het Surinaamse volk op de been heeft gehouden. 

De kapstok van het boek is een achtdaags wintiritueel, thuis in De Jong's Rotterdamse appartement, waar de ik-persoon tegen Jaguarman praat. Zo ontstaat er een mystieke, sprookjesachtige sfeer met fraaie zinnen, terwijl het boek tegelijkertijd een index is van de belangrijkste Surinaamse schrijvers en werken, vol van citaten die vloeiend in de rode draad van het verhaal geweven zijn. 

Jaguarman laat zich door deze opzet niet duiden als een louter journalistiek werk of enkel een roman. Het is beide, en misschien meer. De Jong vertelt, vertelt. En verhalenvertellers zijn noodzakelijk in alle tijden, om elkaar te blijven begrijpen. 

Tot slot. Niet op de middelbare school, noch tijdens mijn studie Nederlandse taal- en letterkunde in Nijmegen, was er aandacht voor Nederlandse literatuur (en daarmee voor de geschiedenis) van de voormalige koloniën. Natuurlijk, Multatuli en Haasse kwamen voorbij, maar geen auteurs die daadwerkelijk hun wortels hadden in Indonesië, Suriname of de Antillen. Achteraf verbaas ik me daarover, en tracht ik - enigszins beschaamd dat ik het destijds zelf ook niet zag - een inhaalslag te maken. Ik hoop dat Jaguarman van Raoul de Jong eraan bijdraagt om meer literatuur met Surinaamse wortels voor een breder publiek te ontsluiten.  

zondag 31 januari 2021

Binnenland. Elin Willows

'Mijn leven neemt geen plaats in. Alles wat ik mee heb genomen paste in een auto. (...) Ik kan niet terugverhuizen. Dat wist ik al toen ik vertrok. Niet zozeer omdat ik iets verliet, maar meer omdat ik een keus maakte.' (p. 81)

Een jonge vrouw uit Stockholm verhuist voor haar geliefde naar het noorden, naar een klein dorp tegen de poolcirkel. Nog voordat ze arriveert, weet ze dat de liefde geen stand zal houden. Toch besluit ze te blijven omdat ze niet weet wat ze anders zou moeten doen. 

Ze vindt een baan in de dorpssuper. Ze draait haar diensten, gaat op zaterdagavond met collega's op stap in het Hotel, leert iedereen uit het dorp kennen bij naam, maar ze komt er nooit tussen. Ze ervaart dat er in het noorden geen lente en herfst bestaan, hooguit een nazomer, waarna het gaat sneeuwen. Het is eindeloos licht of eindeloos donker. De mensen daar leven op dat ritme, wat haar lange tijd vreemd blijft.

Als ze niet werkt, is ze thuis op haar kamer bij haar hospita, of maakt ze een avondwandeling. Ze eet omdat het moet en ruimt alleen op als het niet anders kan. Ze gunt zichzelf weinig luxe, alleen op zaterdagen, als ze zich na het werk trakteert op een tijdschrift en een zak snoep. 

'Dat ik zoveel tijd in mijn eentje doorbreng zou moeten betekenen dat ik alles over mezelf leer. Maar het tegendeel is waar. Want dag in dag uit maak ik dezelfde situaties mee, waar ik op dezelfde manier op reageer. Ik leer niets meer bij.' (p. 125)

Deze twintiger uit Binnenland van Elin Willows koos bewust voor een leven in het noorden, in een rustig dorp waar de dagen overzichtelijk zijn. Langzaam verglijdt die overzichtelijkheid in eenzaamheid en leegte, nauwelijks in staat zelf sturing te geven aan haar leven omdat ze geen idee heeft wat ze zou willen. Geschetst tegen het weidse, noordelijke landschap is Binnenland een sfeervolle, korte roman die me meteen meenam. Heel geschikt voor een donkere winteravond. 

zondag 17 januari 2021

De terugkeer. Esther Gerritsen

Jennie is vijf als haar vader sterft. Zelfmoord, heeft ze altijd te horen gekregen. Ze weet niet beter dan dat haar vader depressief op de bank lag. Veel anderen herinneringen aan hem heeft ze niet. Ook haar oudere broer Max herinnert zich zijn vader vooral op de bank en een moeder die zo goed mogelijk voor haar man Gerrit en de kinderen zorgde. Op de ochtend na de dood van zijn vader, is het Max die hem vindt. 

Twintig jaar later heeft Max zijn leven overzichtelijk vormgegeven met een vrouw, dochter en een hoveniersbedrijf. Het verleden heeft hij zorgvuldig opgeborgen in zijn hoofd. Veel contact maakt hij niet met anderen; vragen naar zijn gevoel beantwoordt hij enkel met: 'ik was het die hem vond' en daarmee is de kous af. 

Het is Jennie die een spade in het verleden zet als ze in het ouderlijk huis een map vindt met foto's van het overlijden van hun vader. Ze ontdekt dat er destijds nauwelijks onderzoek is gedaan naar de toedracht van zijn overlijden. Intussen is moeder van een leven met een gelukszoeker op Ibiza teruggekeerd met verschijnselen van Alzheimer. Ze gaat snel achteruit en zal naar een verzorgingshuis gaan. Als Jennie het fijne van de dood van haar vader wil weten, heeft ze geen tijd meer te verliezen.

Het boek is vanuit het perspectief van de alwetende verteller geschreven die afwisselend accenten legt op de verschillende hoofdpersonen. Een bijzonder en mooi aspect is dat de vader, Gerrit, opduikt zodra er iemand echt aan hem denkt. Hij praat - onhoorbaar voor het aardse leven - mee vanuit het hiernamaals, waarbij God hem soms corrigeert of antwoordt. Gerrit reageert liefdevol op zijn kinderen en vrouw en is opgelucht over zijn dood, hoewel hij graag op een feestelijkere manier uit het leven vertrokken was. 

De terugkeer is een verhaal over een trauma dat een heel gezin tekent voor de rest van hun leven. Over willen helpen en niet geholpen kunnen worden en over het beschermen van wie je liefhebt, terwijl alles schreeuwt dat benoemen en praten heilzamer zou zijn. Gerritsen hanteert een heldere stijl, mooie zinnen en passende metaforen. Ze schrijft zonder waardeoordelen over mensen die zich naar beste kunnen door het leven slaan. Dat is met een zwaar en voor velen onbegrijpelijk thema als depressie van grote meerwaarde.

zaterdag 2 januari 2021

Charing Cross Road 84. Helene Hanff

'Iemand heeft mijn boek geleend en hem nooit teruggegeven. Waarom vinden mensen die er niet over zouden denken om iets te stelen het wel terecht om boeken te stelen?'

New York, 1949. Helene Hanff heeft een wensenlijst van antiquarische boeken die ze graag zou bemachtigen en lezen. In New York kan ze ze niet vinden, behalve zeldzame, dure exemplaren of de grauwe schoolversies. Ze schrijft boekhandel Marks & Co in Londen aan met het verzoek haar alles van haar lijstje tot een bedrag van 5 dollar op te sturen. 

Tussen Frank van de boekhandel en Helene ontstaat een levendige briefwisseling. Helene is typisch Amerikaans: recht voor haar raap en uitbundig. Haar brieven zijn soms uitgesproken boos ('LUIWAMMES: Je liet me hier gewoon liever STIKKEN dan dat je me iets te lezen zou sturen.' p. 63) maar ook lief, warm en enthousiast. Langzamerhand raken andere medewerkers van de boekhandel zo nieuwsgierig naar deze Helene dat ze haar zonder medeweten van Frank ook een briefje sturen. Helene anderzijds is zo gelukkig met de boeken die Marks & Co haar opstuurt, dat ze met Kerst en Pasen voor alle medewerkers een voedselpakket opstuurt. Gezien de naoorlogse schaarste in Engeland, worden die met grote dankbaarheid ontvangen. Ook de vrouw en dochters van Frank nemen uiteindelijk deel aan de briefwisseling. 

Jaren gaan voorbij. Helene ontwikkelt zich tot succesvol scenarioschrijfster van Amerikaanse televisieseries, waarbij ze haar inspiratie haalt uit de oude boeken. Haar wens om een keer naar Londen af te reizen, brengt ze tot verdriet van haar overzeese penvrienden niet tot uitvoer, maar de warme, bijzondere brievenband blijft. 

Charing Cross Road 84 is een heerlijk briefwisseling tussen liefhebbers van boeken. De tegenstelling tussen de keurige Engelse medewerkers en emotionele New Yorkse Helene en de ontwikkeling van de naoorlogse jaren tot de laatste brief in 1969 kleuren de brieven. Wat fijn dat uitgeverij Rainbow begrepen heeft dat deze klassieker niet in hun collectie mag ontbreken en het met leeslint en al uitgegeven heeft.